/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/pitfruit44.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/kleinfruit.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/pluimvee82.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/pluimvee42.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/herkauwers.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/groenten1.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/akkerbouw69.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/pitfruit24.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/akkerbouw99.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/groenten92.jpg

Inheemse planten als ontwormingsmiddel in de biologische geitenhouderij

Karen Malrait (Hogent)

Worminfecties kunnen de gezondheid en het welzijn van herkauwers bedreigen. Dit leidt zowel tot directe als indirecte verliezen: diarree, zwakte, verminderde groei en bloedarmoede kunnen mogelijke gevolgen zijn. Ook de melkproductie van de dieren kan sterk dalen. Bij erge besmettingen kan zelfs sterfte optreden. De dieren besmetten zich op de weide door opname van infectieuze larven. 

Conventionele bedrijven vermijden deze besmetting door het toepassen van zero-grazing. Indien er toch beweiding wordt toegepast, kunnen gangbare bedrijven de dieren preventief ontwormen. De verplichte buitenbeloop op biologische geitenbedrijven alsook het enkel curatief mogen behandelen van besmetting zorgt ervoor dat de sector op zoek gaat naar alternatieven voor de allopatische ontwormingsmiddelen.

Beperkte worminfectie in Vlaamse bio geiten

In 2015 werden tussen februari en september maandelijks meststalen op 10 biologische geitenbedrijven onderzocht op de aanwezigheid van wormeitjes. Positieve stalen werden verder gebruikt voor larvecultuur om de soorten wormen te bepalen. 

Op zestig procent van de bedrijven waren geen of heel weinig wormeitjes te vinden in de mest. De Vlaamse biologische geitenhouders scoren dus heel goed op vlak van wormbeheersing en –controle. Hun weloverwogen voeder- en weidemanagement draagt bij tot deze positieve resultaten. Van de overige bedrijven waren er slechts 2 die een vooropgestelde drempelwaarde (400 EPG: aantal eitjes per gram mest) overschreden en dit enkel tussen juni en september. 

Verschillende studenten uit de opleiding agro- en biotechnologie van de Hogeschool Gent werden betrokken bij de staalnames. Ze droegen ook hun steentje bij in het voorbereiden van de stalen in het laboratorium. Deze extra labo-ervaring beoordeelden ze als een meerwaarde in hun praktijkgerichte opleiding.

Mogelijkheden van inheemse planten

We ontwikkelden een snelle test om de nematicide werking van een product in het labo te bepalen. Deze test werd uitgevoerd op het modelorganisme C. elegans. Deze bodemnematode wordt vaak gebruikt in wetenschappelijk onderzoek en is geschikt om de werkzaamheid van ontwormende stoffen na te gaan. We verzamelden verschillende planten met nematicide werking en maakten er extracten van die we aan deze test onderwierpen.

Esparcette, een vlinderbloemige, bleek één van de meest beloftevolle planten. Daarom startten we ook een voederproef met een groep niet-lacterende geiten die dagelijks esparcette kreeg gedurende 70 dagen. Dieren die minstens 40 dagen voldoende van dit voedergewas opaten, hadden duidelijk minder wormeitjes in de mest dan de anderen. Een veelbelovend en hoopgevend gewas dus.

Verder onderzoek blijft belangrijk

Momenteel zijn onderzoeken aan de gang om de teelt van esparcette te optimaliseren. Deze blijkt namelijk minder eenvoudig dan oorspronkelijk gedacht. Er is dus nood aan extra kennis en praktijkervaring om het verbouwen van dit gewas te vereenvoudigen. Voederproeven met andere planten om de link tussen de snelle test en de praktijk te toetsen zijn ook wenselijk.

Meer info?
Contact: luc.decombel@hogent.be, els.goossens@hogent.be
Meer info zie http://pure.hogent.be, doorklikken naar ‘Projecten’, typ ‘GINGEIT’ in de zoekfunctie.
Samenwerking: Universiteit Gent (Faculteit Diergeneeskunde), DGZ Vlaanderen, Bedrijfsnetwerk Biologische Geitenhouderij
Financiering: HoGent (Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek) (22/09/14-21/09/16)
Onderzoekseenheid: Hogeschool Gent, Faculteit Natuur en Techniek, Vakgroep Natuur-en Voedingswetenschappen

 
herkauwers