/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/pitfruit44.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/kleinfruit.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/pluimvee82.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/pluimvee42.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/herkauwers.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/groenten1.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/akkerbouw69.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/pitfruit24.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/akkerbouw99.jpg
/sites/all/themes/ccbt/images/backgrounds/groenten92.jpg

Verplicht bemestingsadvies voor groenten ook voor bio?

(Door Lieven Delanote naar het artikel ‘Verplicht bemestingsadvies voor groenten’, Boer en Tuinder – 1 februari 2013, p 11.)


Wellicht las u het al elders in de landbouwpers. Vanaf 2013 geldt een verplicht stikstofbemestingsadvies voor alle percelen waarop groenten van groep I of II (uitgezonderd spruitkool) geteeld worden. De concrete uitvoeringsbesluiten moeten nog worden geplubliceerd. De grote lijnen liggen niettemin vast.

Deze advisering moet verstrekt worden door een erkend laboratorium, een erkende telersvereniging of een erkend praktijkcentrum en houdt in dat de tuinbouwer voor elk groentenperceel beschikt over één of meerdere stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies. Beschikt men over geen geldig stikstofadvies, dan geldt er op het perceel een bemestingsverbod. Dit verbod geldt ook voor dierlijke mest, compost etc. Bijgevolg zijn ook biologische groententelers onderhevig aan deze verplichting.

  • Groenten van groep I: bloemkool, groen selder, spruitkool, witte kool, boerenkool, spitskool, prei, broccoli, romanescokool, rodekool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, andere kolen, bladselder of aardbeien.
  • groenten van groep II: spinazie, courgettes, sla, vroege aardappelen, knolselder, peterselie, bieslook, basilicum, augurken, pompoenen, knolvenkel, koolrabi, paksoi, sierteeltgewassen die geteeld worden op niet permanent overkapte landbouwgronden of andere groenten die geen groenten van groep I, geen groenten van groep III, geen teelt met lage stikstofbehoefte is.
  • groenten van groep III: wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum.


Aanvraag voor afwijking op het bemestingsverbod
Men gaat er van uit dat elke land- of tuinbouwer van de afwijking op het bemestingsverbod op groentenpercelen wenst gebruik te maken. Het aangeven van een groente I/II in de verzamelaanvraag impliceert automatisch ook een aanvraag tot afwijking van het bemestingsverbod voor de betreffende teelt. Als de Mestbank nadien bij controle zou vaststellen dat niet aan de voorwaarden is voldaan vervalt deze afwijking en geldt een nulbemesting.


Bodemstaal en advies
Per groenteteelt en/of per perceel moet er minstens één analyse gebeuren in een voor de teelt relevante periode. Deze staalname kan dus ook tijdens de teelt gebeuren (vb. prei) om te zien of een bijbemesting nodig is. De analyse moet gebeuren door een erkend laboratorium. Of de stalen al dan niet door een erkend staalnemer genomen moeten worden en de verdere modaliteiten hieromtrent, zijn nog in discussie.

Voor kleine percelen of percelen met veel verschillende teelten geldt een aangepaste regeling. Heb je een perceel met verscheidene kleine deelstukjes van diverse groenten kan je dit in uw verzamelaanvraag opgeven als één groenteteelt nl. ‘overige groenten’ wat dan onder groente groep II thuis hoort. Let op: het is hierbij niet de bedoeling om 2 grotere naast elkaar liggende percelen met groenten I/II samen te voegen en dan opgeven als ’overige groenten’. Zorg dat je minstens één staal (en advies) per perceel met groenten I/II hebt. Staan de groenten op meerdere kleinere perceeltjes, zorg er dan op zijn minst voor dat je toch één staal kan voorleggen per begonnen schijf van 1 ha (alle percelen met groenten I/II te samen).

Bij opmaak van het bemestingsadvies baseert het erkende labo, praktijkcentrum of telersvereniging zich op relevante informatie over het perceel die ze van de land- of tuinbouwer hebben verkregen zoals: oogstresten vorige teelt, onderwerken groenbemester, reeds uitgevoerde bemesting. Onze ervaring is dat de gangbare adviezen vaak vrij hoog liggen voor de biologische teelt en dus niet zonder meer toepasbaar zijn. Het gewas en de bodem vertellen vaak ook al veel. Niettemin is een tussentijdse staalname vaak zinvol. In een aantal gevallen kun je er dure organische korrelmeststoffen mee uitsparen. Het is daarom aanbevolen om de verkregen adviezen steeds door te praten met een ervaren adviseur biologische groententeelt. U kunt hiervoor beroep doen op CVBB, hetzij via de provinciale aanspreekpunten, hetzij via de biologische praktijkcentra binnen CCBT.

De komende maanden zullen er nog diverse vergaderingen worden georganiseerd samen met de proefcentra en CVBB. We houden je ook op de hoogte via www.biopraktijk.be

 

bodemvruchtbaarheid